Twee jaar na het overlijden van koningin Juliana in 2004 verkochten haar dochters Beatrix, Irene, Margriet en Christina hun erfdeel – ruim 90 hectare bosgebied rond Paleis Soestdijk – aan de Staat der Nederlanden. Tot dat erfdeel behoorde ook het voormalige kazerneterrein van de Koninklijke Marechaussee in het Borrebos, dat sinds 1949 in erfpacht was uitgegeven aan de Staat voor huisvesting van de paleiswacht.
In de oorspronkelijke erfpachtakte, opgesteld in opdracht van prinses Wilhelmina, werd vastgelegd dat het terrein na beëindiging van de functie paleiswacht – en uiterlijk per 31 december 2008 – moest worden ontmanteld en teruggegeven aan de natuur. Die bepaling werd in 1986 door koningin Juliana expliciet bevestigd bij een beperkte uitbreiding van het erfpachtperceel. De verplichting was nog steeds van kracht toen het terrein in 2004 overging op haar dochters. Bij de verkoop van het erfdeel aan de Staat in 2006, voor ruim 5,4 miljoen euro, verdween de herstelverplichting echter uit zicht. In de notariële leveringsakte wordt weliswaar verwezen naar het bestaande erfpachtrecht, maar het beding uit de erfpachtakte werd er niet in opgenomen.
Zo raakte het erfpachtbeding om het kazerneterrein te ontmantelen en terug te geven aan de natuur uit beeld toen het erfpachtrecht door vermenging verdween – het juridische verschijnsel waarbij eigendom en gebruiksrecht in één hand komen te liggen. Omdat de verplichting niet expliciet werd herbevestigd in de leveringsovereenkomst, verloor zij haar juridische afdwingbaarheid.Als de verplichting tot herstel wél zou zijn overgenomen in de leveringsovereenkomst was er sprake van een andere situatie: de Staat zou zijn gehouden aan de verplichting over te gaan tot ontmanteling van het kazerneterrein
En dat roept fundamentele vragen op. De brief van prinsessen Irene en Margriet uit 2020, waarin zij zich expliciet beroepen op het natuurherstelbeding van hun moeder en grootmoeder, doet vermoeden dat zij in 2006 niet op de hoogte waren van de juridische status van die bepaling. Waren zij dat wel geweest, dan mag gelet op hun oproep het kazerneterrein overeenkomstig de wens van hun grootmoeder en moeder te ontmantelen en terug te geven aan de natuur worden aangenomen dat zij een herbevestiging van het beding in de verkoopakte hadden laten opnemen.
De conclusie dringt zich dan ook op dat de Staat in 2006 doelbewust heeft nagelaten het herstelbeding op te nemen in de leveringsovereenkomst, juist om onder de ontmantelingsverplichting uit te komen. Als dit inderdaad is gebeurd – en er sprake is geweest van stilzwijgende instemming of nalatigheid aan de zijde van de juridische adviseurs van de prinsessen, die bekend moeten zijn geweest met het bestaan en de inhoud van de erfpacht – dan heeft de Staat zich schuldig gemaakt aan ernstige bestuurlijke misleiding: tegenover de verkopende partij, te weten de vier prinsessen, tegenover de samenleving, en tegenover de natuur op en rond het landgoed Paleis Soestdijk. De enige partij die op dat moment volledig op de hoogte was van de erfpachtbepaling én van de juridische implicaties van het laten vervallen ervan, was de Staat zelf. In dat licht is het niet informeren van de prinsessen over het herstelbeding, gecombineerd met het doelbewust weglaten ervan in de leveringsakte, moeilijk anders te duiden dan als een schandaal van de eerste orde.
Kees Koudstaal
