Column
Vandaag spreekt een man van middelbare leeftijd met zo’n gênant klein hondje mij aan in de bossen rond Paleis Soestdijk. Zo’n type met een keurige jas waarvan de voering al jaren bezweken moet zijn, maar die tegenwoordig voor ‘duurzaam’ doorgaat. Het hondje trippelt nerveus voor zijn voeten, alsof het aanvoelt dat baasjelief, met de zelfverzekerdheid van iemand die een moreel kompas uit een kerstpakket van de Baarnse CDA-afdeling heeft opgevist, op het punt staat een ongevraagde levensles te verkondigen.
Hij blijkt een vurig pleitbezorger te zijn van een asielzoekerscentrum op het voormalige kazerneterrein van de Koninklijke Marechaussee in het Borrebos. ‘Waarom werkt jullie club Maya Meyer zo tegen? Ze moeten toch ergens naartoe met die asielzoekers, en het oude kazerneterrein is toch een prima plek? Of is het voor jullie nooit goed genoeg?’ klinkt het, uitdagend en doordrenkt van de morele verhevenheid van iemand die zich graag voordoet als de redelijke middenmoter in het maatschappelijk debat, maar ondertussen vooral snakt naar bevestiging van zijn eigen gelijk.
Daar heb ik niet direct van terug, want natuurlijk moeten ze ergens worden opgevangen. Mijn suggestie dat een AZC beter zou passen op de grotendeels leegstaande ziekenhuislocatie in het Maarschalksbos, dichtbij dorpse voorzieningen, pareert hij met de zelfverzekerdheid van een hobbyfilosoof die zijn favoriete oneliner al jaren in de aanslag heeft: “Maar dat gebouw staat toch ook in een soort bos? Er is bovendien een hertenkamp waar kinderen graag komen. Heeft u daar wel eens aan gedacht?”
Ik wijs hem erop dat het zogenoemde Bosje van IJsendijk, met als middenpunt het voormalige ziekenhuiscomplex, in niets te vergelijken is met het Borrebos, een beschermd natuurgebied dat deel uitmaakt van het Natuurnetwerk Nederland. Dan haalt hij de aap uit de mouw: “Dat ligt te dicht bij woningen.”
Mijn poging hem ervan te overtuigen dat een leegstaand ziekenhuis, ontworpen om mensen te huisvesten en niet omringd door een beschermd natuurgebied, een veel logischer locatie zou zijn, kaatst af op een muur van onwil. Met een bits gezicht draait hij zich om, rukt met zijn lijn het hondje mee en vervolgt zijn uitlaatronde.
Zijn opinie – áls je dan asielzoekers opvangt, dan het liefst ergens in een bos, ver weg van alles – onthult pijnlijk hoe natuurbeleid en sociaal beleid in Nederland met elkaar verweven zijn: ongewenste vreemdelingen worden zonder blikken of blozen ver uit het zicht geschoven, terwijl we vervolgens zelfvoldaan op onze borst trommelen over het breed gedragen draagvlak voor asielzoekersopvang in Baarn. Zo blijft de morele huishouding brandschoon, terwijl de kassa van de MeyerBergman Erfgoed Groep met toestemming van het Baarnse gemeentebestuur luidkeels halleluja zingt. Een win-win-situatie, noemen ze dat.
Kees Koudstaal