Onrechtmatige staatssteun?

Dinsdagochtend 7 maart 2024 behandelt de afdeling bestuursrecht van de Rechtbank Midden-Nederland het een jaar geleden ingediende beroep tegen de weigering van het Rijksvastgoedbedrijf i.c. de minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening de in 2017 getaxeerde marktwaarde van het Landgoed Paleis Soestdijk openbaar te maken. Volgend op een korte beschrijving van de geschiedenis van het paleis ná het overlijden van prins Bernhard staat deze bijdrage vooral in het teken van de verkoop van het landgoed aan de MeyerBergman Erfgoed Groep (MBEG). Was er bij die dubieuze transactie ook sprake van onrechtmatige staatssteun? Om die vraag te kunnen beantwoorden is openbaarmaking van de in 2017 vastgestelde marktwaarde van belang.

Voorgeschiedenis

Als op 1 december 2004 de laatste koninklijke bewoner van Paleis Soestdijk overlijdt doemt meteen de vraag op, wat te doen met dit nationaal cultureel erfgoed? Het is niet aan de koninklijke familie daar iets van te vinden, want eind 1970 verkocht toenmalig koningin Juliana het paleis voor 4,2 miljoen gulden aan de Staat der Nederlanden. Bij de verkoop wordt bedongen dat zij en haar echtgenoot tot aan hun overlijden ‘om niet’ in het paleis kunnen blijven wonen. Gelet op de nationale betekenis van het voormalige koninklijke onderkomen is het niet vreemd, dat er met het oog op de toekomst wordt gedacht aan een grondige restauratie van het paleis én een passende nieuwe publieke functie. Toenmalig minister-president Jan Peter Balkenende laat in 2006 weten dat Paleis Soestdijk in eigendom blijft van de staat en dat er drie jaar de tijd wordt genomen om een nieuwe bestemming voor het rijksmonument te bedenken. Tijdens de behandeling van de begroting van Algemene Zaken door de Tweede Kamer in 2008 herhaalt bij die belofte. Het kabinet laat weten dat de Rijksgebouwendienst uiterlijk in het voorjaar van 2009 een aantal herbestemmingsopties voor het paleis zal presenteren en dat er in 2011 onder verantwoordelijk van de staat een begin kan worden gemaakt met de restauratie en renovatie van Paleis Soestdijk. 

Zo pakt de voorspelde toekomst echter niet uit. Als een wereldwijde kredietcrisis, die in de 2008 zijn hoogtepunt kent en eerst in 2011 zal aflopen, ook in Nederland zorgt voor grote economische problemen, spelen er in Haagse regeringskringen andere gedachten op over de toekomst van Paleis Soestdijk. In de zomer van 2010 laat demissionair minister Eimert van Middelkoop de Tweede Kamer weten, dat er voor de renovatie, restauratie en onderhoud van het paleis meer dan 100 miljoen euro moet worden vrijgemaakt. Daar wil het demissionaire Kabinet-Balkenende geen besluit over nemen. Gelet op de financiële crisis is het aan een nieuw kabinet te beslissen over de toekomst van Paleis Soestdijk. De minister laat weten dat de Staat het paleis in eigendom houden, al sluit hij de mogelijkheid niet uit dat er commerciële partijen worden betrokken bij het beheer. Van Middelkoop oppert in een Kamerbrief de mogelijkheid dat het paleis wordt ondergebracht in een stichting, maar hij sluit uit dat het paleis een “luxe hotel, golfresort of appartementen-complex” wordt. 

Er steekt een neo-liberale wind op

Als op 12 oktober 2010 het eerste Kabinet-Rutte aantreedt is het wachten op een besluit over de toekomst van Paleis Soestdijk. Er wordt gesproken over het onderbrengen van een Nationaal Historisch Museum op het landgoed. In het radioprogramma Tros Kamerbreed laat minister Piet Hein Donner (Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) echter weten dat daarmee 90 tot 100 miljoen gemoeid zal zijn en dat hij dat geld niet heeft.

Met het aantreden van het Kabinet Rutte II met VVD-er Stef Blok als minister voor Wonen en Rijksdienst steekt er een neo-liberale wind op in Den Haag. Die zorgt ook voor een ander beleid inzake het instandhouden van onrendabel en/of ongebruikt rijksvastgoed. Het Rijksvastgoedbedrijf, de vroegere Rijksgebouwendienst, krijgt van minister Blok opdracht een lijst op te stellen met overbodig rijksvastgoed dat in de markt gezet kan worden. In 2014 leidt dat tot het besluit dat de staat in de vijf daaropvolgende jaren zo’n 3,5 miljoen m² aan bruto vloeroppervlak aan gebouwen zal afstoten. In een nieuwsbericht op de website van het Rijksvastgoedbedrijf wordt daarbij aangegeven: “Als het Rijk kantoren, kazernes, gevangenissen of terreinen niet meer nodig heeft, moeten gemeenten en provincies samen met het Rijk kijken naar nieuwe bestemmingen die maatschappelijk nuttig zijn. Maar de prijs voor dat nieuwe gebruik moet wel gewoon betaald worden. Het Rijk geeft geen panden of kavels gratis of voor minder geld weg als verkapte subsidie voor maatschappelijk nuttige functies. […] Gemeenten, provincies en waterschappen hebben het eerste recht van koop als er een gebouw van het Rijk vrij komt. Zij kunnen zo’n pand dan voor eigen gebruik kopen tegen een marktconforme prijs die door taxateurs is vastgesteld. Daardoor is er geen oneerlijke concurrentie op de vastgoedmarkt. […] Als een gemeente geen belangstelling heeft, gaat een vrijkomend Rijkspand in de verkoop. Iedereen kan dan een bod doen. Zo krijgt iedereen een faire kans en krijgt het Rijk de hoogst mogelijke opbrengst. Rijkspanden zijn immers oorspronkelijk betaald met belastinggeld”.

Paleis Soestdijk wordt als gevoelig rijksvastgoed nadrukkelijk buiten beschouwing gelaten in de plannen van minister Blok. Daar wordt gezocht naar andere mogelijkheden. Toeval of niet, eerder in 2014 ging onder voorzitterschap van Sybilla Dekker (oud-VVD-minister van VROM) de Ronde Tafel Paleis Soestdijk van start. Een door dit particulier initiatief geformuleerd procedurevoorstel voor de toekomst van Paleis Soestdijk wordt in de zomer van 2015 door minister Blok overgenomen en na een uitgeschreven tender wordt het complete 165 ha. grote Landgoed Paleis Soestdijk inclusief al zijn opstallen in juni 2017 gegund aan een door de MBEG gevormd consortium. Over de dubieuze verkoopprocedure van Paleis Soestdijk is door de schrijver dezes een reconstructie gemaakt. Die kan geraadpleegd worden op de website van de stichting Behoud het Borrebos. (reconstructie)

Mark Röell, burgemeester van Baarn, Sybilla Dekker, oud-minister van VROM, Stef Blok, oud-minister van Wonen en Rijksdienst, en Willibord van Beek, oud-CDK Provincie Utrecht, allen VVD, bij de aanbieding van het procedurevoorstel Toekomst Paleis Soestdijk

Verhouding verkoopprijs versus marktwaarde

Los van de vraag of de wijze waarop de verkoop van Paleis Soestdijk heeft plaatsgevonden de toets der kritiek kan doorstaan, ligt de vraag op tafel of de door de MBEG betaalde 1.7 miljoen euro in juiste verhouding staat tot de in 2017 getaxeerde marktwaarde van het complete landgoed. Dit zeker ook met het oog op de extra bruidsschat die de projectontwikkelaar kreeg aangeboden in de vorm van woningbouw in beschermd bosgebied. Met andere woorden, was er ja dan nee sprake van onrechtmatige staatssteun? Om hier zicht op te krijgen is het, zeker ook met het oog op de pikante rol die Jaap Uijlenbroek als directeur-generaal (DG) van het Rijksvastgoedbedrijf speelde bij het verkoopproces, van belang dat de staat de marktwaarde van het landgoed niet langer onder de pet houdt. 

Uijlenbroek was als DG vanaf 2014 nauw betrokken bij de door Ronde Tafel Paleis Soestdijk van Sybilla Dekker geformuleerde voorwaarden waaronder het Landgoed Paleis Soestdijk in de markt kon worden gezet. Ook speelde hij een toonaangevende rol bij de door het Rijk uitgeschreven tender voor het landgoed. Zo gaf hij onder andere leiding aan de stuurgroep ‘Herbestemming Paleis Soestdijk’, die drie geselecteerde inzenders uitnodigde om vóór 28 april 2017 een uitgewerkt plan vergezeld van een (on)voorwaardelijke bieding op het landgoed te presenteren. Als Uijlenbroek per 23 januari 2017 aan de slag gaat als DG van de Belastingdienst blijft de eerder door hem uitgezette beleidslijn vigerend. In lijn daarmee kan de MBEG in april 2017 zijn zelf bedachte hoogste bod op het landgoed uitbrengen. 

Opmerkelijk in dezen is de vraag die een ambtenaar van het Rijksvastgoedbedrijf stelt aan zijn DG. Gelet op het grote verschil met de marktwaarde wil hij weten “of er een legitieme verklaring is voor het verschil, en of het vervolgens verantwoord is om het te gunnen.”  Met die vraag wordt door de nieuwe DG blijkbaar niets gedaan.

Het staat buiten kijf dat Uijlenbroek tot aan zijn vertrek naar de Belastingdienst als DG van het Rijksvastgoedbedrijf een prominente rol heeft gespeeld bij de verkoop van het landgoed aan de MBEG. Als hij in januari 2020 naar aanleiding van zijn rol in het toeslagenschandaal gedwongen wordt te vertrekken bij de Belastingdienst blijft hij tot 1 februari 2022 als adviseur verbonden aan de overheid. Per die datum treedt hij als Interim Directeur Paleis Soestdijk in dienst van de MBEG. Of hier sprake is van een vriendendienst als dank voor bewezen diensten? Ik denk er het mijne van…

Kees Koudstaal

Naschrift: Bovenstaande bijdrage is gebaseerd op feiten. Persoonlijke gedachten over het totale proces rond de gunning en ontwikkeling van het Landgoed Paleis Soestdijk heb ik zoveel mogelijk buiten beschouwing gelaten.